vetenskaplig forskning Inger Wistedt

I dokument Stark kvinna på sju bokstäver: Vänskrift till Solveig Hammarbäck 2006 (sidor 103-112)

Volgens een bedrijfstelling in 1950 telde West-Duitsland in totaal zo’n 570.000 winkelvestigingen439. Dit kwam neer op ongeveer 1.200 winkels per 100.000 inwoners. Nederland telde dat jaar met een cijfer van 1.800 aanzienlijk meer winkels per 100.000 inwoners. In tabel 5 is weergegeven hoe de West-Duitse en de Nederlandse detailhandel rond 1950 ingedeeld waren naar bedrijfsgrootte. Daaruit blijkt dat in Nederland relatief wat minder kleine winkels (met 1 werkzame persoon) en wat minder grote winkels (met meer dan 5 werkzame personen) voorkwamen.

Deze cijfers geven aan dat de schaalvergroting in de totale detailhandel in West-Duitsland, net als in Zweden, op dat moment iets verder doorgevoerd was dan in Nederland. Hoewel het totaal aantal winkelvestigingen in West-Duitsland in de jaren vijftig in geringe mate steeg (met gemiddeld 4%), nam het aandeel van de kleinere detailhandelszaken in het totaal aantal winkels af van 45% in 1950 tot 32,5% in 1957440. Tussen 1962 en 1976 halveerde het totaal aantal levensmiddelenwinkels441. Die afbouw ging gepaard met schaal-vergrotingsprocessen: sinds 1957 is het vloeroppervlak van de gemiddelde levensmiddelen-winkel in West-Duitsland in ruim drie decennia tienvoudig toegenomen442.

De totale omzet van de levensmiddelendetailhandel in West-Duitsland verdubbelde ruim van 1950 tot 1958443. Het aantal levensmiddelenwinkels bedroeg in die jaren gemiddeld 700 per 100.000 inwoners, terwijl dit getal voor Nederland uitkwam op 800. Van alle West-Duitse levensmiddelenzaken omvatten de kruideniers bijna 40%. In Nederland lag dit rond de 25%. Dit verschil kwam vooral voort uit de bredere betekenis die in West-Duitsland aan het begrip ‘kruidenier’ werd gehecht.

Levensmiddelenwinkeliers stonden in West-Duitsland wel onder invloed van wettelijke bepalingen, maar deze waren minder beperkend dan in Nederland444. West-Duitse kruideniers konden bijna alle levensmiddelen verkopen, maar geen drogisterijartikelen en boeken. De brancheoverschrijding ondervond hierdoor in West-Duitsland bijna geen enkele belemmering. Het kruideniersassortiment was in West-Duitsland daarom meestal ruimer dan in Nederland en omvatte naast de gebruikelijke artikelen vaak nog melk, vers vlees, verse

437 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.31. 438 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.52. 439 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.42. 440 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.44.

441 Spiekermann, U., 1995, ‘Rationalisation as a permanent task. The German food retail trade in the twentieth century’, in: Hartog, A.P. den (ed.), 1995, Food technology, science and marketing. European diet in the twentieth century, Tuckwell Press, East Lothian, p.213.

442 Spiekermann, U., 1995, ‘Rationalisation as a permanent task’, p.216.

443 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.43. 444 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.45.

groente en fruit, wijnen, kleine huishoudelijke artikelen en soms ook textiel. Voor de verkoop van een diepvriesassortiment hadden tegen 1955 ongeveer 2.500 West-Duitse zelfbedieningswinkeliers een diepvrieskast of -kist aangeschaft. In 1964 was dit aantal gestegen naar 100.000. Met slechts 21 artikelen was het diepvriesassortiment in de vijftiger jaren echter nog bescheiden, net als in Nederland.

Bij de financiering van de aankoop van diepvriezers speelde in West-Duitsland de groot-handel een belangrijke rol voor winkeliers door hen gunstige leningen of andere financiële hulp te bieden. Zoals gezegd gold hetzelfde voor Zweden en Nederland. Daarnaast droegen West-Duitse groothandelaren bij aan de scholing van winkelpersoneel op het gebied van vakbekwaamheid met betrekking tot diepvriesartikelen, en aan propaganda daarvoor. Zo speelde de groothandel een actieve en doorslaggevende rol in het voltooien van de koel-keten in West-Duitsland, evenals in Zweden en Nederland445.

Tabel 5: Het totaal aantal detailhandelsvestigingen in West-Duitsland en Nederland (rond 1950), verdeeld naar grootteklassen, in % van het totaal

Grootteklassen naar het aantal werkzame

personen per vestiging Aantal detailhandelsvestigingen in West-Duitsland in % van het totaal Aantal detailhandelsvestigingen in Nederland in % van het totaal

1 persoon 38 24

2-4 personen 52 69

5-10 personen 8 6

11 en meer personen 2 1

Totaal 100 100

Bron: C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden in vergelijking met Nederland, rapport van de

Studiegroep Industrie van de Contactgroep Opvoering Productiviteit (C.O.P.), ’s Gravenhage, p.43.

Het is van belang nogmaals te benadrukken dat diepvriesartikelen voorverpakte merk-artikelen waren, waardoor ze uitermate geschikt waren voor de verkoop in zelfbedienings-winkels. Daarnaast waren ze zodanig voorbewerkt dat ze meer gemak in de bereiding boden dan hun verse varianten. Het aanbod voorverpakte – en vaak tevens op andere wijze technisch bewerkte – levensmiddelen had zich geleidelijk steeds meer uitgebreid446. Zo was de losse verkoop van margarine, in Nederland nog gebruikelijk tot en met de jaren veertig, begin jaren vijftig in zowel West-Duitsland als Nederland bijna niet meer denkbaar. De groei van voorverpakte levensmiddelen had de toepassing van zelfbediening ook deels mogelijk gemaakt. Maar net als in Nederland lieten West-Duitse zelfbedieningswinkeliers aan-vankelijk, waar nodig, hun gezinsleden of personeel onverpakte levensmiddelen nog af-wegen en voorverpakken447. Voorbeelden van nieuwe, technisch bewerkte en voorverpakte levensmiddelen waren onder andere droge soepen in een pakje en voorgekookte rijst in speciale kookbuiltjes, die een mooie droge korrel garandeerden448. Zulke levensmiddelen waren gericht op gemak voor de klanten, waar deze ook een zekere status aan ontleenden. De populariteit van kauwgom en Coca Cola in de jaren vijftig hing heel sterk samen met de

445 Zie hoofdstuk 5 voor meer informatie over de koelketen in Nederland.

446 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben. Alltags- und Konsumgeschichte vom Wirtschaftswunder bis heute, Campus Verlag, Frankfurt/New York, p.53.

447 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.65. 448 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.35 en 40.

status van deze Amerikaanse artikelen, als symbool van de ‘Nieuwe Wereld’, en duidde erop dat de ontberingen van de oorlog voorbij waren449. Mede door de Amerikaanse Marshall-hulp aan West-Duitsland, richtte dit land zich bij de wederopbouw voor een deel op Amerika. Daar was de welvaart hoog en floreerde de economie. Voor Nederland, dat van oudsher al meer Atlantisch gericht was dan Duitsland, gold dit nog sterker en vervulde Amerika als bevrijdende mogendheid een aanzienlijke rol als ‘voorbeeldland’. Toch gingen ook voor veel West-Duitsers typisch Amerikaanse producten, zoals de genoemde kauwgum en Coca Cola, maar ook koelkasten of keukens, als symbool fungeren van de beoogde Amerikaanse welvaart. De aanschaf van zulke producten bracht die welvaart voor een deel binnen hun bereik.

Levensmiddelenzaken met ruime assortimenten waren in West-Duitsland echter niet allemaal van het type uitgebreide zelfbedieningswinkel of supermarkt: aanvankelijk waren zij daarvoor te klein in oppervlakte450. De eerste uitgebreide zelfbedieningswinkel werd in West-Duitsland pas in 1957 geopend in de Reinlandhalle in Keulen, die echter wel meteen een aanzienlijke oppervlakte had, en wel van 1.000 vierkante meter451.

Daar ging natuurlijk het een en ander aan vooraf. De coöperatie ‘Produktion’ opende in 1949 te Hamburg een zelfbedieningswinkel die de geschiedenis in is gegaan als de eerste West-Duitse zelfbedieningswinkel452. Daarin bood de coöperatie zo’n 600 levensmiddelen aan op een oppervlak van 276 vierkante meter. De zelfstandige ondernemer Herbert Eklöh had echter al in 1938 een zelfbedieningswinkel geopend in Osnabrück, maar die winkel boekte weinig succes453. Zelfs bij een herhaalde poging tot zelfbediening aan het begin van de jaren vijftig toonden zijn klanten zich nog erg onwennig. Toch oordeelden klanten in West-Duitsland, net als in Nederland, uiteindelijk positief over zelfbediening. Zij kochten er aanvankelijk vooral gunstig geprijsde artikelen en aanbiedingen en leken vooral de aspecten van het one-stop-shopping te waarderen, die mogelijk werden gemaakt door ruime en gevarieerde assortimenten. Door die weliswaar trage omarming van het zelfbedienings-concept stimuleerden huisvrouwen uiteindelijk de groei van zelfbedieningswinkels. Ook Eklöh opende in 1958 een nieuwe en succesvolle supermarkt, waarin hij winkelwagentjes invoerde.

Intussen waren veel meer levensmiddelendetailhandelaren zelfbediening gaan toepassen. Zoals aangegeven in tabel 3 bedroeg het totaal aantal zelfbedieningswinkels in West-Duitsland per 1 januari 1951 nog maar 39 (tegen 10 in Nederland) en was het op 1 januari 1959 gestegen tot 9.676 (tegen 1.026 in Nederland)454. Deze groei was spectaculair en nog veel sterker dan die in Nederland.

Net als in Nederland bestond er in de West-Duitse levensmiddelendetailhandel concurrentie tussen zelfstandigen, grootwinkelbedrijven en coöperaties. In West-Duitsland bedroeg het aandeel van die drie organisatievormen in de totale levensmiddelenomzet in 1959 respectievelijk 78%, 12% en 10%.

Bij het toepassen van zelfbediening speelden grootwinkelbedrijven een veel belangrijker rol: in 1958 exploiteerden zij 22% van het totaal aantal zelfbedieningswinkels en behaalden daarmee ongeveer de helft van de totale omzet van alle zelfbedieningswinkels455. De

449 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.46. 450 Zie hoofdstuk 3.

451 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.47. 452 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.56.

453 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.58. 454 Zie tabel 3 van dit hoofdstuk.

coöperaties hadden dat jaar 8% van het totaal aantal zelfbedieningswinkels in handen, met een omzetaandeel van 13%. De zelfstandigen bezaten in hetzelfde jaar 70% van alle zelfbedieningswinkels, maar boekten slechts een omzetaandeel van 39%. In grote lijnen kwam dit overeen met de situatie in Nederland: daar behaalden de grootwinkelbedrijven ook hogere omzetten in hun zelfbedieningwinkels dan de zelfstandigen, terwijl de laatste in aantal meer zelfbedieningswinkels exploiteerden. Dat gunstige omzetaandeel van groot-winkelbedrijven had vooral te maken met de schaalvoordelen en de grote efficiëntie door standaardisering in alle filialen, waar zij van profiteerden. West-Duitse zelfstandigen gingen, in vergelijking met Nederland, pas relatief laat samenwerken in de vorm van vrijwillige filiaalbedrijven. Die samenwerking leverde kostenbesparingen op, die onder andere voortvloeiden uit een centrale inkoop en dienstverlening. In West-Duitsland won het vrijwillig filiaalbedrijf pas na de Tweede Wereldoorlog terrein, terwijl dat in Nederland al voor de oorlog was gebeurd. Er bestonden wel al veel langer allerhande inkoopverenigingen in West-Duitsland, die net als de vrijwillige filiaalbedrijven schaalvoordelen opbrachten voor de individuele, aangesloten winkeliers. In 1958 was intussen 60% van alle West-Duitse zelfstandigen aangesloten bij een inkoopvereniging of een vrijwillig filiaalbedrijf456. In Nederland bedroeg dat aandeel rond die tijd 82%457.

Zowel in West-Duitsland als in Nederland bezaten zelfstandigen de meeste zelfbedienings-winkels. In Zweden waren dit, zoals gezegd, aanvankelijk coöperatieve verbruiks-verenigingen, hoewel Zweedse zelfstandigen de coöperatieven in de loop der jaren langzaam maar zeker inhaalden. De pioniersrol van zelfstandigen in West-Duitsland en Nederland is te verklaren vanuit hun grote aantallen en de concurrentiedynamiek, net als de pioniersrol van coöperatieven in Zweden. Zelfbedieningswinkels boden, zoals gezegd, een groter groeipotentieel en meer mogelijkheden tot prijsconcurrentie dan bedieningswinkels. Daarom boden zij ook perspectieven op grotere omzetstijgingen. De succesvolle groei van grootwinkelbedrijven in West-Duitsland en Nederland na de Tweede Wereldoorlog en de steeds hogere omzetten die zij behaalden verhevigden de concurrentie voor zowel zelfstandigen als coöperaties in die landen. Vanwege de concurrentievoordelen die zelfbediening te bieden had gingen daar daarom vooral zelfstandigen en coöperaties steeds vaker zelfbediening toepassen458. Maar hoewel coöperaties in West-Duitsland tot de eersten hadden behoord die zelfbediening gingen toepassen, slonk hun aandeel in het totaal aantal zelfbedieningswinkels in korte tijd drastisch van 50% in 1952 naar 8% in 1958459. Bij het toepassen van zelfbediening bleven coöperaties in West-Duitsland en Nederland achter bij zowel grootwinkelbedrijven als, en in veel sterkere mate, zelfstandigen. Dit komt doordat zelfstandigen daar veel groter in aantal waren dan coöperatieven of grootwinkelbedrijven, al voor het toepassen van zelfbediening. In Zweden gold hetzelfde voor coöperatieve verbruiksverenigingen: in dat land waren zij al langer groter in aantallen.

Dat zelfbediening in West-Duitsland in de jaren vijftig een grotere vlucht nam dan in Nederland kan in verband worden gebracht met de snellere stijging van de welvaart in West-Duitsland. In 1945 was Duitsland nog een verslagen en verwoest land. In 1959 was de economie van de Duitse Bondsrepubliek echter een van de sterkste van Europa460. Het reëel bruto binnenlands product (tegen constante prijzen) per hoofd van de bevolking steeg in Duitsland in de jaren 1950-1973 met 5,0% per jaar (dit cijfer is in de bron gecorrigeerd

456 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.48. 457 C.O.P., 1961, Distributie van levensmiddelen in West-Duitsland en Zweden, p.52. 458 Spiekermann, U., 1995, ‘Rationalisation as a permanent task’, p.214.

459 Andersen, A., 1997, Der Traum vom guten Leben, p.57.

voor grensveranderingen)461. Zoals gezegd bedroeg dat cijfer voor Nederland in dezelfde periode 3,5% per jaar. Gezien de staat van het land in 1945 overtrof de welvaartsstijging alle verwachtingen. Dit ‘Wirtschaftswunder’ was mogelijk geworden dankzij verschillende factoren. Enkele daarvan waren de Marshallhulp-gelden voor de wederopbouw, de continu groeiende exportmogelijkheden en de naar verhouding op een laag peil gebleven import. Bij de scheiding tussen Oost- en West-Duitsland vlak na de Tweede Wereldoorlog verwachtten de West-Duitsers toenemende importkosten, aangezien de West-Duitse economie op het moment van scheiding overwegend industrieel was en de Oost-Duitse juist overwegend agrarisch. Door de scheiding en door de spanningen tussen communistische en niet-communistische landen zou West-Duitsland veel van zijn landbouwproducten elders moeten gaan importeren. Dit pakte echter juist gunstig uit voor West-Duitsland, omdat de nieuwe ruilverhoudingen beter waren ten opzichte van de traditioneel protectionistische landbouw-politiek van Oost-Duitsland462.

Een andere plausibele factor in de verklaring van het ‘Wirtschaftswunder’ is de sterk stijgende arbeidsproductiviteit in de jaren vijftig, die vooral tot stand kwam door het werken in ploegendiensten en automatiseringen463. Na 1950 was de oorlogsschade in de industrie al zo goed als volledig hersteld en werkten de meeste bedrijven met moderne technieken, installaties en apparatuur. Ook dient vermeld te worden dat West-Duitse werknemers aanvankelijk (tot en met de ‘Korea-hausse’) genoegen namen met relatief lage lonen en afzagen van stakingen. Dit maakte kapitaalvorming en investeringen mogelijk en droeg zo voor een belangrijk deel bij aan het herstel en de groei van de economie.

Naast de gunstige invloed van de snel stijgende welvaart profiteerde de West-Duitse levensmiddelendetailhandel van een grote handelingsvrijheid, in vergelijking met Nederland. Maar het belangrijkste was misschien wel dat West-Duitsland na de Tweede Wereldoorlog een bijna volledige nieuwe start moest maken gezien de verwoeste industrie, infrastructuur en economie. Die situatie heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat levens-middelendetailhandelaren een sterke vernieuwingsdrang aan de dag legden, waarbij zij zich, net als de levensmiddelenwinkeliers in Nederland, vooral oriënteerden op Amerika en Zwitserland464. Zelfbediening sloot voor West-Duitsers, evenals voor Nederlanders, goed aan bij die heersende vernieuwingsdrang465.

I dokument Stark kvinna på sju bokstäver: Vänskrift till Solveig Hammarbäck 2006 (sidor 103-112)